De functie van gedrag: wat doet dit gedrag hier?
Een cliënt huilt. Een ander maakt grappen zodra het gesprek persoonlijk wordt. Iemand drinkt alcohol, werkt voortdurend of trekt zich terug. We zien de vorm van gedrag en denken vaak snel te weten wat die betekent. Binnen procesgerichte ACT ligt de betekenis echter in de functie van gedrag, niet in hoe het gedrag eruitziet.
Dat vraagt een andere manier van luisteren. Niet meteen bepalen wat een gedraging is, maar onderzoeken wat zij in deze context mogelijk maakt, voorkomt of oplevert. Die verschuiving maakt gedrag niet goed of fout. Zij helpt je nauwkeuriger begrijpen waarom iemand blijft doen wat hij doet, ook wanneer dat gedrag inmiddels veel kost.
Inhoudsopgave
1. Wat is de functie van gedrag?
2. Waarom dezelfde vorm verschillende functies heeft
3. Werkbaarheid op korte en lange termijn
4. Hoe onderzoek je de functie zonder te snel te concluderen?
5. Wat gebeurt er in de therapiesessie?
6. Welke spanningsvelden kunnen ontstaan?
7. Conclusie

Wat is de functie van gedrag?
De functie van gedrag verwijst naar wat gedrag doet binnen een specifieke context. Wat is het gevolg? Waar beweegt iemand naartoe of juist vanaf? Welke situatie wordt draaglijker, welke reactie wordt opgeroepen en welke ervaring wordt tijdelijk minder voelbaar?
De gedragsanalyse van Skinner heeft het belang van gevolgen voor het ontstaan en voortbestaan van gedrag scherp gemaakt. Binnen het functioneel contextualisme wordt dit altijd gekoppeld aan historische en actuele omstandigheden. De Association for Contextual Behavioral Science over ACT en functioneel contextualisme beschrijft gedrag daarom niet los van de context waarin het is geleerd en wordt uitgevoerd.
Neem als voorbeeld 'veel praten'. Dat kan enthousiasme uitdrukken, stilte voorkomen, deskundigheid laten zien, verbinding zoeken, tijd winnen of zorgen dat een ander geen moeilijke vraag kan stellen. De vorm blijft gelijk. Wat het gedrag echter doet, verschilt.
Een functie is geen verborgen intentie die jij als therapeut moet zien te achterhalen. Mensen weten zelf ook niet altijd precies waarom zij iets doen. We proberen een mogelijke functie te begrijpen door te kijken naar patronen, gevolgen, veranderingen in context en wat er in het contact gebeurt. Wat daaruit ontstaat blijft een aanname die in deze context meer of minder werkbaar kan zijn.
Waarom zegt de vorm niet alles?
In het dagelijks leven moeten we snel betekenis geven. Een glimlach lijkt vriendelijk, stilte lijkt terughoudend en boosheid lijkt afwijzend. Meestal is die snelheid van betekenisgeving handig. In therapie kan zij echter leiden tot een te vroege conclusie.
'Huilen' bijvoorbeeld, kan verschillende functies hebben:
1. spanning ontladen
2. nabijheid oproepen
3. woorden vervangen
4. een grens zichtbaar maken
5. opluchting uitdrukken
6. een gesprek vertragen
Geen van deze mogelijkheden is automatisch waar. De functie van gedrag ontstaat niet uit de vorm alleen, maar uit het geheel van gebeurtenissen eromheen.
Dat geldt ook voor gedrag dat snel als problematisch wordt gezien. Alcohol drinken kan op korte termijn verdoven, sociale aansluiting geven, een ritueel vormen of slaap makkelijker maken. Dat gedrag kan ernstige gevolgen hebben en toch een begrijpelijke functie vervullen. Begrip is geen goedkeuring. Het is de voorwaarde voor een analyse die verder gaat dan "stop ermee".
Lees in de oudere blog Acceptance and Commitment Therapy is gedragstherapie waarom functie en betekenis binnen ACT onmisbaar zijn.
Hoe beoordeel je werkbaarheid op korte en lange termijn?
Gedrag blijft meestal niet zomaar bestaan. Vaak heeft het op enig moment in iemands leven iets gedaan wat binnen die context werkte. Misschien was boos worden als kind een manier om gehoord te worden. Misschien leverde hard je best doen waardering of veiligheid op. In een andere context kunnen de gevolgen van datzelfde gedrag veranderen, terwijl het gedrag zelf nog gemakkelijk wordt opgeroepen in situaties die ergens lijken op wat iemand eerder heeft meegemaakt.
Ook in het hier en nu kan gedrag nog steeds iets opleveren. Iemand vermijdt een presentatie en voelt direct opluchting. Iemand vraagt de therapeut om zekerheid en merkt dat de spanning zakt wanneer er een duidelijk antwoord komt. Iemand werkt tot laat door en hoeft daardoor even minder stil te staan bij onzekerheid.
De vraag is daarom niet alleen: werkt dit gedrag? We willen weten waarvoor het werkt, wanneer het werkt en wat het op verschillende momenten kost of oplevert. Misschien werkte het vooral in een eerdere context. Misschien geeft het nu nog direct verlichting, al is het maar omdat het gedrag vertrouwder aanvoelt dan ander wellicht meer werkbaar gedrag.
En misschien zijn de gevolgen op langere termijn heel anders. Juist die verschillende momenten helpen om de functie van gedrag beter te begrijpen.
Op korte termijn
Wat verandert er direct? Wordt spanning minder? Krijgt iemand geruststelling, controle, afstand of verbinding? Zelfs al is dat maar voor heel even.
Op langere termijn
Wat gebeurt er met vrijheid, relaties, gezondheid, werk en zelfvertrouwen? Wordt het gedragsrepertoire groter of kleiner?
In relatie tot het doel
Werkt dit gedrag om ongemak nu te verminderen, of om te leven in de richting die iemand belangrijk vindt? Soms botsen die doelen.
In Aan de slag met creatieve hopeloosheid wordt deze analyse concreet gemaakt. De cliënt ontdekt dat zijn gedrag niet dom was, maar dat een begrijpelijke strategie een andere prijs heeft gekregen dan hij ooit kon voorzien.
Hoe onderzoek je de functie zonder te snel te concluderen?
Functioneel kijken vraagt openheid en nieuwsgierigheid. Het kan heel vertrouwd voelen om snel een verklaring te zoeken voor gedrag. Zo zijn veel van ons immers ook opgeleid: begrijpen wat erachter zit en daar woorden aan geven.
"Je boosheid beschermt je tegen verdriet" kan heel aannemelijk klinken, maar blijft een aanname van jou. Die aanname kun je inbrengen en vervolgens onderzoeken wat er gebeurt. Sluit zij aan bij wat je cliënt vertelt over situaties in het dagelijks leven? Zie je vergelijkbare patronen terug in verschillende interacties? En wat gebeurt er in het contact met jou als therapeut?
De functie die je beschrijft wordt daarmee nooit de waarheid over het gedrag, maar blijft een contextgebonden aanname die op dit moment meer of minder werkbaar kan zijn.
Onderzoek wat er nu gebeurt.
Nodig je cliënt uit om vanuit het hier en nu, opnieuw naar een situatie te kijken en op te merken wat er gebeurt terwijl hij erover vertelt.
Vragen of zinnen die daarbij kunnen helpen zijn bijvoorbeeld:
Als je nu naar die situatie kijkt, wat gebeurt er dan bij je?
Wat merk je terwijl je dit vertelt?
Welke neiging komt erop?
Wat gebeurt er als je daar even bij blijft?
Wat gebeurt er als je die neiging volgt?
Ik kan me voorstellen dat dit op een bepaalde manier ook helpend voor je is. Laat daarna een stilte vallen. Pas als je cliënt na een tijdje niets zegt, vraag je door: wat doet dit met je, of wat gebeurt er bij je?
Wat levert dit je op?
Wat kost dit je?
Op die manier onderzoek je niet alleen een gebeurtenis uit het verleden. Je kijkt naar wat er nu wordt opgeroepen, wat iemand nu doet en wat dat gedrag in deze interactie mogelijk maakt of oplevert.
En tegelijk blijft de context buiten de therapiesessie belangrijk. De cliënt kan bijvoorbeeld merken dat hetzelfde patroon ook speelt met een partner, collega of ouder. De therapeut gebruikt die situaties niet alleen als informatie over vroeger of elders, maar als ingang om te onderzoeken wat er in het huidige moment gebeurt wanneer de cliënt ermee in contact komt.
Een functie is dus geen antwoord dat je uiteindelijk definitief vindt. Wat gedrag doet kan verschillen per context, moment en relatie. Gedrag dat ooit bescherming bood, kan nu ook andere gevolgen hebben. Bovendien kunnen meerdere functies tegelijkertijd meespelen.
Hoe wordt de functie zichtbaar in de therapiesessie?
De therapiesessie is geen neutrale plek waar alleen over gedrag buiten de kamer wordt gesproken. Patronen verschijnen juist vaak ook tussen cliënt en therapeut.
Een cliënt die thuis conflicten vermijdt, kan in therapie overal mee instemmen. Een cliënt die veiligheid zoekt in deskundige anderen, kan voortdurend vragen wat jij denkt. Een cliënt die nabijheid spannend vindt, kan precies op emotionele momenten van onderwerp veranderen.

De vraag wordt dan: wat doet dit gedrag hier, met mij, op dit moment?
Ook wat jij als therapeut doet, doet iets in deze interactie. Wat gebeurt er wanneer je snel advies geeft? Wat levert dat op voor je cliënt en wat doet het voor jou? En wat gebeurt er wanneer je nog een verdiepende vraag stelt?
Het gaat niet om eindeloos analyseren wat er bij jou gebeurt. Wel helpt het om even stil te staan bij jouw aandeel in de interactie en wat dat vervolgens mogelijk maakt. De blog Werken in het hier en nu met ACT laat zien hoe de interactie zelf informatie en oefenruimte biedt.
Welke spanningsvelden kunnen ontstaan?
Functioneel kijken betekent niet dat de functie van gedrag altijd meteen helder wordt. In de praktijk kunnen verschillende spanningsvelden ontstaan. Juist daar helpt het om nieuwsgierig te blijven naar wat gedrag doet, in deze context, voor deze persoon, op dit moment.
Spanningsveld 1. Functie en bewuste bedoeling
Gedrag kan een bepaald gevolg hebben zonder dat iemand dat gevolg bewust nastreeft. De uitspraak "je doet dit om aandacht te krijgen" is daarom vaak te stellig. Misschien leidt het gedrag ertoe dat iemand aandacht krijgt, maar dat betekent nog niet dat dit ook de bewuste bedoeling was. Functioneel kijken vraagt dus om voorzichtigheid met conclusies over waarom iemand iets doet. Neem het voorbeeld van boos worden om afstand te creëren, eerder in deze blog. Dat was een voorzichtige aanname bij deze ene cliënt, op dit ene moment. Zelfs bij deze cliënt hoeft boosheid niet altijd deze functie te hebben, laat staan dat het een algemene regel is dat boosheid altijd afstand creëert. We zoeken naar patronen, naar gedrag dat vaker in eenzelfde context terugkomt, maar dat maakt van die functie nog geen vaststaand gegeven.
Spanningsveld 2. Wat nu werkt en wat op langere termijn werkbaar blijft
Gedrag kan op korte termijn heel goed werken. Vermijden kan spanning verminderen, terugtrekken kan rust geven en controle houden kan tijdelijk veiligheid bieden. Tegelijk kan hetzelfde gedrag op langere termijn het leven smaller maken. De vraag is daarom niet alleen of gedrag werkt, maar waarvoor het werkt (of heeft gewerkt) en wat de gevolgen ervan zijn in deze context, nu en later.
Spanningsveld 3. De context van de therapeut
Ook jij brengt een context mee in het gesprek. Je behoefte aan resultaat, duidelijkheid, harmonie of beweging kan invloed hebben op wat je opmerkt en op welke functie je aan gedrag toeschrijft. Functioneel kijken gaat daarom niet alleen over de cliënt. Het vraagt ook dat je blijft zien wat er bij jou gebeurt in de interactie.
Spanningsveld 4. Begrijpen zonder alles positief te maken
Gedrag begrijpen vanuit zijn functie betekent niet dat je alles positief hoeft te herformuleren. Gedrag kan schadelijk, gevaarlijk of sterk beperkend zijn.
De vraag blijft dan wel: hoe is dit gedrag begrijpelijk geworden binnen de context waarin het is ontstaan, en wat maakt dat het blijft bestaan? Begrijpen is iets anders dan goedkeuren. Je hoeft het er moreel ook niet mee eens te zijn om te begrijpen dat iets voor deze persoon, in deze context, een logische reactie is.
Spanningsveld 5. Begrijpen en aanwezig blijven
Een functieanalyse kan helpen om gedrag beter te begrijpen. Tegelijk kan analyseren ook afstand scheppen. Je kunt zo bezig raken met begrijpen wat er gebeurt, dat je minder aanwezig bent bij de persoon die tegenover je zit.
De analyse ondersteunt het contact, maar vervangt het niet. Juist in procesgerichte ACT blijft de interactie zelf onderdeel van wat je probeert te begrijpen.
De wetenschappelijke verdieping binnen RFT laat eveneens zien dat functies niet vastliggen, maar kunnen veranderen binnen bredere relationele en contextuele netwerken. Het artikel Updating RFT, More Field than Frame beschrijft hoe context en stimulusfuncties binnen zo'n breder gedragsveld kunnen worden begrepen.
Conclusie: vraag niet alleen wat je ziet, maar wat het hier doet
De functie van gedrag helpt je om achter de zichtbare vorm te blijven kijken. Stilte, huilen, boosheid, hard werken en vermijden hebben geen universele betekenis. Hun betekenis ontstaat in een context en wordt zichtbaar in de gevolgen. Dezelfde traan kan troost betekenen of juist afstand. Wat een gedraging betekent, zie je pas als je kijkt naar wat eromheen gebeurt en naar wat het oplevert.
Dat vraagt bescheidenheid. Je kunt een functie niet van een lijst aflezen. Je doet aannames over wat gedrag mogelijk doet en onderzoekt in het contact hoe werkbaar die manier van kijken is. Daarbij blijf je bereid je aanname weer los te laten wanneer wat je cliënt vertelt, laat zien of in de interactie doet, een andere richting wijst.
De belangrijkste vraag is daardoor niet: "Welke interventie hoort bij dit gedrag?" De vraag wordt: "Wat doet dit gedrag hier, wat doet mijn reactie en in welke richting doet ons dat bewegen?"
Deze blog is onderdeel van de reeks over de zes principes van procesgerichte ACT. Lees ook het overzicht van alle zes principes en de eerdere blog over waarom gedrag altijd gedrag in context is.
In de Basisopleiding Procesgerichte ACT oefen je dit met concrete gedragingen, rollenspellen en eigen casuïstiek. Bekijk ook het volledige aanbod van ACT opleidingen wanneer je deze functionele blik verder wilt ontwikkelen.
Over de auteur Geschreven door Marjolein Vleugel, GZ psycholoog en gedragstherapeut, BIG 79061347625. Zij werkt bijna dertig jaar als therapeut, leidt sinds 2017 zorgprofessionals op in procesgerichte ACT en is coauteur van ACT met hoofd en hart. |
Veelgestelde vragen
Wat is de functie van gedrag?
De functie van gedrag is wat een handeling in een bepaalde context oplevert, voorkomt, oproept of mogelijk maakt.
Is functie hetzelfde als intentie?
Nee. Gedrag kan bepaalde gevolgen hebben zonder dat iemand die gevolgen bewust nastreeft.
Kan hetzelfde gedrag meerdere functies hebben?
Ja. Een gedraging kan tegelijk spanning verminderen, verbinding oproepen en een moeilijk onderwerp vermijden.
Waarom is korte termijn werkbaarheid belangrijk?
Gedrag blijft vaak bestaan omdat het direct opluchting, controle of veiligheid geeft, ook als het later veel kost.
Hoe onderzoek je functie in therapie?
Kijk naar wat aan gedrag voorafgaat, wat iemand doet, wat het oplevert of kost en wat verandert wanneer de context verandert. Neem ook mee wat de cliënt laat zien en doet in contact met jou.
Mag je als therapeut een functie benoemen?
Ja. Je kunt een mogelijke functie als aanname inbrengen en vervolgens kijken wat er gebeurt. De vraag is niet of jouw verklaring waar is, maar of deze manier van kijken op dit moment werkbaar is in het contact met jouw cliënt.
Betekent begrip dat je 'schadelijk' gedrag accepteert?
Nee. Je kunt grenzen stellen en veiligheid bewaken terwijl je onderzoekt hoe het gedrag logisch is ontstaan.
Wat is een functieanalyse?
Een functieanalyse helpt je onderzoeken wat gedrag binnen een bepaalde context doet, wat eraan voorafgaat en wat erop volgt. De uitkomst blijft een contextgebonden aanname en geen vaststaande verklaring over waarom iemand doet wat hij doet.
Welke rol speelt de therapeutische interactie?
Gedrag en functies kunnen in de sessie opnieuw verschijnen. Ook de reactie van de therapeut verandert wat er vervolgens gebeurt.
Waar leer ik functioneel naar gedrag kijken?
De opleidingen van Expertise Centrum ACT combineren functioneel contextualisme, gedragsanalyse, RFT en ervaringsgericht oefenen.





Opmerkingen