Aan de slag met DEFUSIE 2.0, in procesgerichte ACT

Mijn eerste blog “aan de slag met defusie” is ontzettend vaak gelezen. Nu twee jaar later is het tijd voor een update. Wanneer je al wat bekend bent met het werken met defusie is deze blog perfect voor jou.


Defusie | Expertise Centrum ACT | procesgerichte ACT
defusie creëert ruimte

Defusie inzetten

Je hebt ongetwijfeld al verschillende defusie oefeningen met je cliënten gedaan. Dan heb je misschien ook gemerkt dat je de ene defusie oefening vaker inzet dan de andere. Sta eens even stil bij welke defusie oefening jij meestal doet met jouw clienten. Welke oefening is dat?

Je hebt deze oefening ongetwijfeld niet voor niets ingezet. Misschien deed je hem vooral voor jezelf, om te oefenen in het werken met defusie voor een ACT training? Misschien deed je het voor je cliënt? Stel je zelf eens de volgende vraag: Waarom zette ik deze defusie oefening op dat moment in? Wat wilde ik met deze oefening bereiken? Kijk eens wat er bij je op komt en misschien kun je het opschrijven.


Oefeningen aanpassen aan je cliënt

Het is heel erg prettig om vertrouwd te raken met verschillende defusie oefeningen door ze veel te doen. Op die manier is de nieuwigheid er voor jou als therapeut wat af en kun je de oefeningen, specifieker en nauwkeuriger in gaan zetten bij je cliënten. Je doet een oefening immers niet voor niets. Je hoopt iets te bereiken bij een cliënt. Wat je bereikt, is onder andere afhankelijk van 'waar' je cliënt is in zijn therapie proces. Het is dus handig om je oefeningen daar op aan te passen.



Verschillende aspecten van ACT defusie oefeningen


In mijn werk met cliënten, merk ik dat er verschillende manieren zijn om met defusie oefeningen te werken. In ons boek (ACT met hoofd en hart) kun je de volgende onderverdeling van deze aspecten van defusie teruglezen.


1. Letterlijkheid van taal

2. Jij en je ervaringen zijn twee verschillende dingen

3. Ruimte creëren tussen jou en je ervaringen

4. Je gedrag minder laten beïnvloeden door je ervaringen


Wanneer je procesgericht met ACT werkt, sluit je je ACT oefening altijd aan op het therapeutische proces van je cliënt.

Op basis van deze aspecten kun jij jouw defusie oefeningen aanpassen aan jouw cliënt.

Het is dus belangrijk dat jij een idee hebt wanneer je welke oefening in kunt zetten. Vooraf ga je na wat er bij de cliënt zou kunnen gaan gebeuren als je deze defusie oefening inzet. Tijdens en na de oefening blijf je de cliënt volgen, zodat je kunt zien of er daadwerkelijk gebeurt wat jij had verwacht.

Laten we aan de hand van de eerder genoemde aspecten van defusie eens kijken hoe zo’n defusie oefening kan uitpakken.


1. Letterlijkheid van taal

Zoals je misschien weet, maakt taal het mogelijk om gefuseerd te raken. Een oefening die de fusie door taal , kan laten afnemen is de ‘melk-melk’ oefening die ik in een vorige blog reeds beschreef. Een andere oefening die het al dan niet letterlijk nemen van taal kan beïnvloeden, is het oplezen van een voor jou vervelende zin met een ander stemmetje. Schrijf hieronder maar eens een zin die iets naars bij je oproept. Voor mij zou dat bijvoorbeeld kunnen zijn: Ik moet nog zoveel doen. Schrijf jouw zin eens op:

………


Lees vervolgens deze zin eens met een hele hoge stem…

En nu heel langzaam…

En nu met een hele lage stem. Wat merk je?


Wanneer ik dit zelf doe met mijn zin: ‘Ik moet nog zoveel doen’, merk ik van alles. Zo komen er gedachten op als: ‘oh is dat zo? MOET ik dat wel en van wie dan? Moet dat nu?’ ‘Moet” wordt voor mij zo meer een los woord. Daarmee gaat de betekenis van ‘moeten als een verplichting’ naar de achtergrond. Ook kom ik losser te staan van de zin: ”ik moet nog zoveel doen”.


2. Jij bent je ervaring(en) niet

De meeste mensen hebben niet in de gaten dat er een verschil is tussen henzelf en hun ervaringen. In onze taal zit deze koppeling tussen taal en ervaring al erg verweven. Denk maar aan hoe vaak we zeggen: ‘ik ben spontaan’, of ‘ik ben nu eenmaal lui. Het woordje

‘ben’ heeft dezelfde functie als ‘is gelijk'. Zo wordt in de voorbeelden ‘Ik’ gelijk aan 'spontaan’ en 'ik' gelijk aan ‘lui’. Op een bepaalde manier snappen we allemaal dat jij niet 24/7 spontaan of lui bent. Toch maken we met taal voortdurend deze koppelingen. Hierdoor zien we niet meer dat er twee losse zaken aan elkaar gekoppeld worden (ik en spontaan en ik en lui) maar zien we ze als een geheel: Ik ben altijd en helemaal spontaan.


Een manier om je client te kunnen laten ervaren dat hij zijn ervaring niet is, is de volgende oefening: "De twee handen”. Je maakt bij deze oefening gebruik van je handen als een fysieke metafoor en gebruikt daarbij een uitspraak van je client.


Stel dat je in gesprek zit met je cliënt en je cliënt vertelt over zijn klachten en wat hij allemaal heeft geprobeerd om er van af te komen. Hij vertelt je dat hij al heel veel therapeuten heeft gezien en al van alles heeft gedaan maar dat niets heeft geholpen om van zijn klachten af te komen. Hij zegt meerdere keren dat hij een hopeloos geval is.


De oefening met “de twee handen" gaat alls volgt: Breng je linkerhand omhoog (ter hoogte van je borst). Zeg tegen je cliënt dat hij je linkerhand is “dit ben jij”. Breng dan je rechterhand ook omhoog, tegenover de linkerhand en draai met die hand cirkeltjes van je af. Zeg dan: ‘…vertelt jezelf dat je een hopeloos geval bent’. Dit doe je in een vloeiende beweging.

Vaak benadruk ik dan een paar keer: Er is een jij (linkerhand laten zien), die zichzelf vertelt (rechter hand) dat hij een hopeloos geval is. En jij (linkerhand) en gedachten (rechterhand) zijn twee verschillende dingen.


Oefen maar eens voor jezelf. Hoe voelt dit als je dit doet?

Wil je zien hoe deze oefening er uit ziet? Kijk dan naar de korte video van deze oefening.


3. Ruimte creëren tussen jou en je ervaringen

Wanneer de cliënt kan zien dat hij zijn ervaringen niet is, is het wellicht mogelijk om nog wat meer ruimte te creëren tussen ‘jij en je ervaringen’. Een belangrijke reden om die ruimte te creëren is dat het het makkelijker maakt om naar de ervaringen te kijken en het samen over de ervaringen te hebben. Daarbij is dit een stap in de richting van het ervaren van een Zelf-als-Context (Ik ben meer dan mijn ervaringen, ik ben de ‘houder’ van mijn ervaringen). Een oefening die makkelijk is toe te passen is de ‘handen voor de ogen oefening’.


De oefening gaat als volgt: Doe je handen maar eens voor je ogen en houdt je ogen geopend. Wat zie je dan? Wat zie je direct voor je? Wat zie je van je omgeving? Breng nu langzaam, beetje voor beetje je handen wat verder van je af. Wat zie je nu? Wat merk je op van je omgeving? Hoe was het voor je om deze oefening te doen?


Toen je je handen voor je ogen had, kon je alleen maar je handen zien. Het enige dat we kunnen zien, is datgene waar we mee gefuseerd zijn (je handen). Tegelijkertijd zorgt deze fusie (je handen voor je gezicht) ervoor dat je het contact met de buitenwereld verliest. Alsof je handen een muur vormen tussen jou en de buitenwereld.


Deze oefening kan je laten ervaren dat er meer ruimte kan komen tussen jou en je ervaringen en dat je van daaruit meer contact kan maken met de buitenwereld.



4. Je gedrag minder laten beïnvloeden door je ervaringen

Defusie oefeningen kunnen je cliënt helpen naar zijn gedrag te kijken. Op deze manier kan hij zien in welke richting zijn gedachten hem duwen.

Hoe mooi is het als je kunt ervaren dat je niet perse je gedachten hoeft te volgen? Dat jij, in het hier nu, kunt kiezen wat je wilt doen, ook al zeggen je gedachten dat je vooral iets anders moet doen.


Een oefening om de cliënt dit te laten ervaren is de sta/zit oefening.


Doe deze oefening samen met je cliënt. Ga zelf staan en nodig de cliënt uit om ook te gaan staan. Vraag de cliënt om samen met jou hardop te zeggen: ‘ik sta, ik sta, ik sta’. Je kan eventueel nog toevoegen: “en voel dat je staat, terwijl je zegt: "ik sta, ik sta, ik sta”. Dit geeft wat extra kracht aan de oefening.

Zeg dan nog eens hardop, samen met je cliënt: "ik sta, ik sta, ik sta". Ga nu allebei zitten en zeg tegen je cliënt: "nu gaan we zitten en doen we hetzelfde". Vervolgens begin jij met het hardop uitspreken van: "ik sta, ik sta, ik sta". Ook hier kun je extra kracht bijzetten door te zeggen: “en voel dat je zit”.


Spreek het langzaam uit en herhaal het nog een keer: ‘ik sta, ik sta, ik sta".

Vraag vervolgens aan je cliënt of hij een verschil merkte.


Vaak geven cliënten aan dat het comfortabeler voelde om te staan en te zeggen dat ze staan. Of dat ze in hun hoofd een correctie maakten: 'ik weet dat ik zit en Marjolein wil dat ik zeg dat ik sta’. Sommige cliënten gaan lachen wat ook kan duiden op hun ongemak.


Je cliënt ervaart door deze oefening dat hij in staat is iets anders te doen dan zijn gedachten hem vertellen. Hij heeft ervaren dat hij kan zitten terwijl hij zegt dat hij staat en dat dat minder comfortabel voelt dan wanneer hij hetzelfde zegt als wat hij doet. Tegelijkertijd ervaart hij ook dat deze discrepantie tussen ervaring en taal oncomfortabel voelt. En dit is precies waarom we doen wat onze gedachten ons vertellen. Dat voelt eenvoudigweg comfortabeler.


Wat als het anders loopt?

Misschien heb je wel eens ervaren dat je een defusie oefening deed en dat je cliënt anders reageerde dan je had verwacht. Wil je begrijpen waarom dat gebeurt? En wil je nog nauwkeuriger en preciezer je oefeningen leren aanpassen aan jouw cliënten? Kom dan naar supervisie of éen van onze opleidingen.



Veel plezier en wie weet tot ziens


Warme groet


Marjolein Vleugel & Richard van Romunde

Expertise Centrum ACT & Edotora





92 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Domme Gans?